“En ik ga het niet anders doen.”
Ik weet nog precies waar ik stond toen ik die zin voor het eerst hoorde tijdens mijn begeleiding van een leerkracht met een ingewikkelde groep. Hij kwam van een leerkracht in een van de meest ingewikkelde groepen waar ik ooit mee heb gewerkt. Een groep waarin het eigenlijk nooit echt rustig werd. Eén opmerking, een duw bij de kapstok en binnen een paar tellen stond er een klein groepje vol in de strijd. Terwijl de rest van de groep gespannen toekeek. Iedereen stond de hele dag op scherp. De kinderen, en eerlijk is eerlijk, de leerkrachten ook.
De groep had twee leerkrachten. En verschillender hadden ze niet kunnen zijn. De leerkracht van maandag tot en met woensdag koos voor verbinding en structuur. Elke ochtend even terug naar de groepsmissie, de afspraken zichtbaar op de T-kaart, complimenten op het gedrag dat ze wél wilde zien. En vooral: ze nam de kinderen mee. Wat merken jullie? Wat hebben jullie nodig om een fijne groep te zijn en te blijven? De leerkracht op donderdag en vrijdag wilde vooral lesgeven. Heel begrijpelijk, want kinderen zitten op school om iets te leren. En daar is de leerkracht voor. Alleen verdween daarmee aan het eind van de week precies de structuur die aan het begin van de week zo zorgvuldig was opgebouwd.
Kinderen lezen volwassenen als geen ander
Wat mij opviel, was hoe snel de groep dat doorhad. Kinderen zijn meesters in het lezen van volwassenen. Ze weten haarfijn bij wie wat werkt, waar de grens ligt en waar die grens net een beetje verschuift. Op maandag werd er opnieuw opgebouwd, op donderdag was alles weer los. En met de week werd die kloof groter. De ene leerkracht zag langzaam resultaat, de andere kreeg vooral de bevestiging dat “het toch niet werkt”.
Op een donderdag einde middag ging mijn telefoon. De leerkracht van het begin van de week. De observatie van vrijdag ging niet door. Haar duo had die middag de handdoek in de ring gegooid, het was helemaal uit de hand gelopen en de directie had besloten dat de groep vrijdag thuis zou blijven.
Ik weet nog dat ik even stil was. Was dit traject dan mislukt? Maar in plaats van daarin te blijven hangen, stelde ik haar een andere vraag: “Vertel eens, hoe gingen de afgelopen weken bij jou?”
Van onbewust naar bewust
Wat volgde was een heel ander verhaal. Ja, er waren nog steeds lastige momenten. Maar door steeds weer terug te gaan naar de afspraken, helder te blijven in structuur en grenzen en te blijven benoemen wat goed ging, was de groep stap voor stap vooruitgegaan. Na elke terugval lukte het om het tij weer te keren. En het mooiste? In het begin lag het volgens de kinderen altijd aan iets of iemand anders. Nu begonnen ze te zien dat ze zélf iets aan hun gedrag konden veranderen. Er waren minder conflicten. De groep werd fijner.
Ik moest meteen aan het model van de vier stadia van bekwaamheid denken. Je begint onbewust onbekwaam: je weet niet eens dat je iets nog niet kunt. Daarna word je bewust onbekwaam: je merkt dat het nog niet lukt. Dat klinkt misschien niet als vooruitgang, maar het is misschien wel de belangrijkste stap. Pas als je ziet wat je nog niet kunt, kun je gaan oefenen. Precies dié stap had deze groep gezet.
En het mooie is: dat geldt niet alleen voor kinderen. ‘Ze weten toch wel hoe het moet’ gaat ervan uit dat weten hetzelfde is als kunnen. Maar weten hoe het moet, betekent nog niet dat je het ook kunt. Ik hoor het leerkrachten ook vaak zeggen: “Ze kunnen perfect verwoorden hoe het moet, maar doén… da’s een heel ander verhaal.” Zeker niet in een groep waar iedereen de hele dag op scherp staat. Gedrag is een vaardigheid. Die leer je net als rekenen of lezen: door voordoen, oefenen, feedback krijgen en herhalen. Ook als je in groep 7 zit.
Ja en nee
Bij de evaluatie met directie en IB kwam het bekende zinnetje op tafel: als je doet wat je deed, krijg je wat je kreeg. En ja, dat klopt. De leerkracht die haar aanpak veranderde, kreeg een andere groep. De leerkracht die niets veranderde, hield een onrustige groep.
Maar ik … ik wil er nog wel een kleine opmerking bij plaatsen. Want doen wat je altijd deed is in een groep nooit neutraal. De groep verandert namelijk wél. Een groep in de stormingsfase vraagt iets anders van je dan een groep die net nieuw bij elkaar zit. Wie dan blijft doen wat altijd werkte, staat eigenlijk stil terwijl de groep doorloopt.
En die tweede leerkracht? Die deed het niet fout en was zeker geen slechte leerkracht! Zij was namelijk een kei in sterke lessen geven: de inhoud sloot perfect aan op het doel, ze gaf goede lessen met hoge verwachtingen. Alleen schoot die kwaliteit in deze groep door. Ze gaf steengoede lessen, alleen leek ze soms te vergeten dat er 25 kinderen in haar klas zaten die iets anders nodig hadden. Dat herken ik eerlijk gezegd ook bij mezelf: waar je goed in bent, is vaak precies waar je in doorschiet als het spannend wordt.
Moet deze groep dan altijd zoveel structuur?
Die vraag kwam ook. En mijn antwoord was: zolang ze erom vragen, ja. Sommige groepen hebben nu eenmaal meer kaders nodig dan andere. Het is aan jou als leerkracht om dat te zien en het te geven. Zonder dat het een strafkamp wordt en met stukje bij beetje meer ruimte voor eigen verantwoordelijkheid. Ruimte binnen een kader, dus.
De leerkracht van maandag tot en met woensdag besloot het jaar erna door te gaan met deze groep. Vijf dagen per week. En de kinderen? Die gaven zelf aan dat ze verder wilden met hun missie en afspraken. Mooi hè?
Even stilstaan bij wat goed gaat
Om zo’n periode af te sluiten, of juist te starten of gewoon tussendoor even op te laden, gebruik ik graag een groepsgesprek over wat er wél goed gaat. Je pakt samen de groepsmissie en de T-kaarten er nog eens bij. Dan stel je één vraag: “Wat gaat er goed bij ons in de groep? Kun je een voorbeeld geven?” Kinderen krijgen eerst even denktijd en mogen iets opschrijven. Daarna wisselen ze uit in tweetallen, dan in viertallen, en tot slot haal je het op in de hele groep. Zo komt iedereen aan het woord. Ook de stillere kinderen. En hoort de groep van zichzelf waar ze al in gegroeid zijn. Dat is voor kinderen die gewend zijn dat het steeds over wat er misgaat gaat, best een bijzondere ervaring. Kinderen hebben vaak de neiging om alleen te benoemen wat er niét goed gaat. Het kost soms best wat tijd en moeite om ze te laten nadenken over wat wél goed gaat. En hoe je dat stukje uit kunt bouwen om samen een fijne groep te zijn en te blijven.
Herken jij dit trouwens ook? Dat je merkt dat je vasthoudt aan wat altijd werkte, terwijl je groep eigenlijk al om iets anders vraagt? Dat is dus geen falen. Het is vooral een signaal om even te kijken en jezelf de vraag te stellen: Wat heeft deze groep, nu, van mij nodig?
Wil je eens sparren over jouw groep? Stuur me gerust een berichtje.
Wil je hier meer over lezen?
In mijn boek Van onrust naar rust – Hoe je van jouw klas een groep maakt geef ik je volop inspiratie, voorbeelden en praktische werkvormen om van jouw klas een hechte groep te maken. Nieuwsgierig? Klik dan even op de onderstaande button:

