Ken je dat gevoel? Je komt terug na twee weken vrij (en sommigen zelfs 2,5 week) en je denkt: Help, wat is er in die twee weken gebeurd?!
De groep voelt anders. Wat in april als vanzelf ging, moet je nu weer uitleggen. Kinderen testen grenzen opnieuw, de sfeer is wat onrustig en jij vraagt je af of het aan jou ligt. Verbeeld je je dat het anders is? Nee, het is echt anders. Dat komt doordat de groep eigenlijk weer even terugvalt in de norming en/of stormingsfase. Ze hebben twee weken vakantie gehad, elkaar niet gezien en dus moet de groep weer wennen aan het samen zijn, inclusief de afspraken en (ongeschreven) regels die er zijn.
De komende periode kan soms best ingewikkeld zijn. Want; je hebt nu te maken met een hernieuwde norming/storming. Meestal duurt die maar kort. Daarna heb je weer een aantal weken performing.
Want.. ook al denk je en voel je aan alles, het is dé laatste periode, het zijn voor de meeste scholen nog gewoon 10-11 weken. Da’s een kwart schooljaar! Dus… nog genoeg tijd om te blijven bouwen aan jouw groep.
Dat de verschillende fasen in een schooljaar door elkaar lopen, ontstaat enerzijds door vakanties. Maar.. kan ook ontstaan door een nieuwe kind in de klas. In een kleutergroep gebeurt dat het hele jaar door, maar als je én twee weken vakantie hebt én er starten twee nieuwe kleuters in een groep, dan kun je heel wat meemaken in krap een half uur tijd waarvan je denkt: oh ja, we moeten het kader weer even helder maken.
Een fiets, een boze blik en een “jij bent stom”
Gisteren deed ik namelijk een observatie in een kleutergroep. Twee en een halve week vakantie achter de rug, en iedereen was nog aan het landen. Inclusief een nieuwe kleuter. Alles was nieuw voor hem, en vooral: uitdagend.
Op het schoolplein pakte hij rustig een fiets af van een meisje. Geen aarzeling, geen twijfel. Want waarom zou hij? In zijn hoofd was de redenering glashelder: ik wil die fiets, dus is het mijn fiets. Het meisje, ook nog maar net de eerste week op school, keek geschrokken en zette het daarna op een snoeihard huilen. “Maar dat is míjn fiets!”
Ik probeerde een gesprekje aan te gaan. Of dit zijn fiets was.
“Ja!”
(Ja natuurlijk Nicole. Kleuterbrein.)
Hoe langer ik de situatie ondertitelde “Ik zie dat jij op de fiets zit en ik zie dat zij huilt omdat het haar fiets is” hoe bozer zijn gezicht werd. Want hij zag ook wel aankomen waar dit naartoe ging. Uiteindelijk gooide hij de fiets van zich af en ik kreeg een hartelijk “Jij bent stom!” naar mijn hoofd. Ik moest er eerlijk gezegd een beetje om lachen.
Waarom dit er zo uitziet: het kleuterbrein
Wat je hier ziet, is geen ongehoorzaamheid. Het is ontwikkeling.
Kleuters zitten midden in de egocentrische fase. Dat klinkt negatiever dan het is. Het betekent simpelweg dat een jong kind de wereld nog vanuit zichzelf bekijkt. Zijn perspectief is het perspectief. Een fiets die hij wil, is zijn fiets. Dat een ander kind er verdriet van heeft, is iets wat hij nog niet automatisch kan voelen of begrijpen.
Het kleuterbrein is nog volop in ontwikkeling. De prefrontale cortex, het deel dat zorgt voor impulscontrole, inlevingsvermogen en het overzien van consequenties, is bij kleuters nog lang niet af. Sterker nog: die ontwikkeling loopt door tot ver in de twintig. Een kleuter die een fiets afpakt, doet dat niet om te pesten. Hij doet het omdat zijn brein hem nog niet vertelt dat hij dat niet moet doen.
Dit geldt trouwens niet alleen voor kleuters. Ook oudere kinderen en ja, soms ook volwassenen vallen terug op eerder gedrag als de context verandert. Na een vakantie, bij spanning, of als er iets nieuws is in de groep. Toch? 😉
Wat er verder gebeurde
Na het buitenspelen gingen ze in de kring. De nieuwe kleuter ging zitten, maar wel stevig tegen een klasgenootje aan gedrukt. Een ander kind sprak hem meteen aan:
“Zo hoort dat niet! Je moet op je eigen stoel zitten!”
De juf greep in en zei dat hij dat wat aardiger mocht zeggen, want het was tenslotte pas de eerste week.
Waarop het kind reageerde: “Hij is gewoon irritant.”
Herkenbaar? De kinderen die al langer in de klas zaten, wisten precies hoe het hoorde. De afspraken zaten er goed in. Maar met een nieuw kind erbij, verschuift er iets in de groep. Er komt iemand bij die de codes nog niet kent. En dat vraagt, ook van de kinderen die het al weten om herhaling, geduld en soms een stapje terug doen.
Wat ik mooi zag: de oudste kleuters werden vanzelf een soort gids. Ze wisten hoe het werkte, en lieten dat ,soms bot, maar toch, ook merken. Dat is precies de kracht die je als leerkracht kunt benutten: laat de kinderen die de afspraken kennen, vertellen hoe het bij jullie gaat. Dat werkt beter dan het van jou te horen.
Na een vakantie gaat een groep even terug
Dit is niet alleen een kleuterverhaal. Dit herken je in elke groep, elke leeftijd.
Na een langere vakantie gaat een groep even terug naar een eerdere fase. Eigenlijk kom je even terug in de norming en stormingsfase. Niet omdat je iets fout hebt gedaan, maar omdat groepsvorming nu eenmaal geen rechte lijn is. Het is een proces dat steeds opnieuw aandacht vraagt.
Wat helpt in deze eerste weken na de meivakantie?
Niet doorhollen, maar vertragen
Juist even gas terugnemen en herhalen wat de groep nodig heeft: duidelijkheid, voorspelbaarheid en verbinding. Dus herhalen van regels en afspraken. Dus de ‘zo-doen-we-het-hier’ / de kaders weer duidelijk stellen.
Begin de dag bewust
Start met een vaste opening, ook als je dat de laatste weken voor de vakantie al automatisch deed of dat het misschien juist een beetje losser was. Even een check-in, een kort ritueel. Het geeft kinderen houvast en geeft jou zicht op hoe iedereen erbij zit.
Loop jullie afspraken samen door
Niet als straf of correctie, maar luchtig en positief:
“We zijn even weggeweest, dus laten we samen even ophalen hoe het bij ons werkt.” Kinderen vinden dat prima als jij het normaal maakt. Dit geldt niet alleen voor de afspraken in de klas, maar ook voor de schoolregels. (Dus loop die ook met je team even door).
Benoem wat je ziet gebeuren
Gebruik de T-kaarten en benoem het gewoon hardop:
“Ik zie dat het wat drukker is dan voor de vakantie. Dat herken ik, en we gaan het samen weer opbouwen.” Welke afspraken hebben we gemaakt. Hoe ziet het eruit? Wat hoor ik jullie dan zeggen. Laat dit ook vooral uit de kinderen komen. Dus benoem het niet alleen zelf, maar laat het de kinderen herhalen. Geef de groep niet het gevoel dat ze het niet goed doen, maar dat we gewoon weer even moeten oefenen.
Plan een kort reflectiemoment later in de week
Bespreek samen: Wat gaat er goed? Waar wil je als groep weer naartoe? Hoe staat het met jullie missie en bouwstenen. Zelfs vijf minuten hierover praten versterkt het wij-gevoel.
En last but nog least: Geef jezelf ook de tijd.
Jij moet ook weer landen. Het is normaal dat de eerste dagen na een vakantie meer energie kosten. Dat zegt niets over jou als leerkracht.
Een vraag om mee te nemen naar volgende week :
Welke routine of afspraak is na de vakantie het eerst weggegleden in jouw groep? En wat kun jij doen om die weer op te pakken?
Wat je nu doet, is dus geen stap terug. Een groep wordt niet vanzelf een groep. Ook niet als je er al maanden aan hebt gebouwd. Het vraagt om blijven investeren, ook als het even minder soepel loopt. En juist dat is het mooie aan het vak van leerkracht. Geniet dus ook vooral van het proces.
Wil je hier meer over lezen?
In mijn boek Van onrust naar rust – Hoe je van jouw klas een groep maakt geef ik je volop inspiratie, voorbeelden en praktische werkvormen om van jouw klas een hechte groep te maken. Nieuwsgierig? Klik dan even op de onderstaande button:

