Afgelopen week gaf ik een training aan startende leerkrachten in de onderbouw. Het onderwerp was afspraken maken in de klas. Maar eigenlijk ging het over iets anders. Over jongens.
Nog voordat de training begon, lag de vraag al op tafel: “Hoe gaan we eigenlijk om met jongens?” Ik liet een paar foto’s zien. Op de ene zaten jongens rustig naast elkaar op een bankje, op de andere renden en stoeiden ze. Ik stelde een, in mijn ogen simpele, vraag:
Als ik vraag: “Wat valt jou op bij de jongens in jouw groep…”
Wat komt er dan als eerste bij je op?
Nou, er kwam meteen vanalles naar boven:
‘Ze willen in de kring altijd boven op elkaar zitten.’
‘Als we gaan opruimen zijn de meisjes al begonnen, terwijl de jongens nog doorspelen.’
‘Tijdens het buitenspelen zijn ze aan het rennen, stoeien of rollen door de zandbak.’
En dan, de opmerking die bleef hangen:
‘Hoe meer ik met ze praat, hoe minder effect het lijkt te hebben.’
Een andere leerkracht vulde aan: “Soms lijkt het wel alsof ik puppytraining moet geven. Zit. Stop. Wachten. En dat voelt helemaal niet prettig.”
Toch zit daar precies de crux, want wat als het probleem niet is dat jongens niet luisteren? Wat als het probleem is dat wij hen aanspreken op een manier die niet aansluit bij wat ze op dat moment nodig hebben?
Eerst doen, dan denken
Jonge kinderen tot ongeveer 7 jaar bevinden zich in de impulsieve fase. Ze handelen vanuit hun gevoel, vanuit hun behoefte, vanuit het moment. Niet omdat ze lastig zijn, maar omdat hun brein nog volop in ontwikkeling is. Piaget noemt dit het pre-operationele stadium: kinderen denken nog sterk vanuit zichzelf en kunnen zich maar beperkt in een ander verplaatsen.
Daar komt bij dat het brein van jongens zich anders ontwikkelt dan dat van meisjes. Niet slechter, maar wél anders. Jongens hebben van nature meer testosteron, wat aanzet tot bewegen, onderzoeken en grenzen verkennen. Het taalgebied ontwikkelt zich trager: op 5-jarige leeftijd kan het taalverschil tussen een vlot meisje en een jongetje oplopen tot wel twee jaar (Martens, 2017). En toch worden jongens op kleuterleeftijd ongeveer vier keer zo vaak als meisjes als ‘zorgkind’ bestempeld.
Wat helpt is, anders naar jongens kijken. Niet elke jongen is hetzelfde, maar in deze training hadden we het over jongens die opvallen in het nakomen van afspraken.
Stoeien is niet hetzelfde als vechten
Als Lars voor de derde keer met zijn autootje vol vaart tegen de knutselkast rijdt, is dat gedrag storend. Maar het is ook iets anders: een jongen die leert door te doen, door te proberen, door te bewegen. Jongens hebben meer behoefte aan lichamelijk contact dan we soms denken. Stoeien is voor hen zelden een echt gevecht, het is een krachtmeting, een manier om hun plek in de groep te bepalen (Martens, 2017).
Het helpt om daar niet direct een streep door te zetten, maar om kaders te geven: waar mag het, wat zijn de grenzen?
Wat kun jij anders doen?
Het begint met contact. Laat zien dat je hem ziet. Niet het masker, maar de jongen daarachter. Benoem wat je ziet, concreet, zonder een ‘maar’ erachteraan: ‘Ik zag dat je Liam hielp met zijn puzzel. Dat vond ik fijn om te zien.’
Verder helpt het om:
Te vertellen wat jongens wél mogen, in plaats van wat niet mag. Dus positief gewenst gedrag benoemen.
- Beweging en actieve werkvormen aan te bieden. Denk groot, laat ze bewegen met hun hele lijf. En ja, dan hebben ze vaak meer ruimte nodig.
- Rem stoeigedrag niet meteen, maar geef ze een kader. Door met picto’s het gewenste gedrag visueel te maken, kun je ze een prima kader geven. En dit natuurlijk wel kort bespreken.
- Praat niet alleen tégen een jongen, maar doe ook iets vóór. Laat zien wat je bedoelt. Beelden zeggen meer dan woorden.
- Veel jongens verwerken via beweging. Hun lichaam staat letterlijk eerder aan dan hun woorden. Hoe meer woorden wij gebruiken op het heetst van de strijd, hoe minder er binnenkomt. Niet omdat ze niet willen luisteren, maar omdat hun systeem op dat moment iets anders nodig heeft. Een korte instructie. Een duidelijke verwachting. En daarna pas het gesprek.
Niet lastig. Gewoon anders.
Stel jezelf de vraag: wat probeert deze jongen mij eigenlijk te vertellen met zijn gedrag?Want achter dat rennen, stoeien en uitproberen zit vaak geen onwil. Er zit energie. Nieuwsgierigheid. Ontdekkingsdrang. En soms gewoon een lijf dat gemaakt is om eerst te doen en daarna pas te praten.
En… als jij dat doorhebt, merken zij dat ook. En voelt het voor jou vast niet meer als ‘puppytraining’. Hoewel… puppies zijn toch ook heel schattig? 😉
Heb jij nog ervaringen en ideeën wat werkt bij de jongens in jouw groep?
Ik hoor ze graag!
Wil je hier meer over lezen?
In mijn boek Van onrust naar rust – Hoe je van jouw klas een groep maakt geef ik je volop inspiratie, voorbeelden en praktische werkvormen om van jouw klas een hechte groep te maken. Nieuwsgierig? Klik dan even op de onderstaande button:

